Ken jij mij?

Ken jij mij?

Sinds 23 augustus fiets ik regelmatig vanaf de Kon. Wilhelminalaan Den Haag in. Over het Beatrixkwartier richting de Theresiastraat, of meteen rechtsaf de Schenkkade op. Vooral ’s morgens tussen 8 en 9 uur blijf ik me verbazen over de hoeveel mensen die op dat moment met mij de straat delen. Allereerst moet ik voorzichtig ‘in voegen’ op het fietspad bij ons voor de deur. Stromen fietsen komen hier in de spitstijden voorbij. Scholieren. Jonge ouders met bakfietsen en kinderzitjes, soms leeg, soms gevuld. Keurige geklede mannen en vrouwen, op het oog op weg naar een van de hoge gebouwen in het Beatrixkwartier. Als ik de Schenkkade op fiets, dan herhaalt het tafereel zich met voetgangers. Station NOI spuugt doorlopend hele kolonnes mensen uit. Haastig op weg naar hun werk. Met snelle tred en aktetas. Het lijkt op een mierenkolonie, met het station als hoofdkwartier, van waaruit colonnes van werkmieren zich over de stad verspreiden.
Meestal ben ik ook ergens naartoe op weg. Ik fiets met Bernard mee naar school, of haast me naar een afspraak in de wijk. Maar vaak heb ik de neiging om op een bankje te gaan zitten en gewoon te kijken. Waar gaan al deze mensen naartoe? Wat houdt hen bezig? Wat bezielt ze?
Ik kijk ze aan en probeer de blik te doorgronden. Wie ben jij? Waar kom je vandaan? Alléén je appartement verlaten? Of al een hele dag achter de rug: eerst  de kinderen onder dak, en de ontbijtboel aan de kant, of komt dat vanavond wel?
Hou je het vol: Je elke dag weer storten in die stroom van mensen. Je profileren op je werk. Altijd bereikbaar zijn. Kom je toe aan je sociale contacten, je ouders, je kinderen? Of legt dat nog meer druk op je. “O ja, dat zou ik ook nog doen…”
Wie ben je? Láát je je wel kennen – of is dat een zwakte bod: je laten kennen? Weten je vrienden wie je bent? Of je partner, je ouders, je kinderen?  Weet je eigenlijk zelf wel wie je bent en wat je wilt? Of is die gedachte alleen al lastig. “Als ik daar aan ga twijfelen, dan trek ik het niet meer…”

Wie ben je?
Ik kan een hoop over mezelf vertellen en jullie zullen me langzaam beter leren kennen hier in Den Haag en omstreken, maar wie ik zelf ten diepste ben? Ik weet het eigenlijk niet. Soms verbaas ik mezelf dat ik meer aankan dan ik van te voren zou denken. Maar begrijpen waarom ik dingen ervaar, voel, geloof - ten diepste lukt me dat niet. Laat staan dat ik me ten diepste láát kennen.
Huub Oosterhuis schreef ooit, bij de geboorte van zijn dochter Trijntje, daar een gedicht over. Met zijn dochter in zijn armen verwonderde hij zich over het leven en vroeg zich af: we zijn elkaars vlees en bloed, maar zullen wij elkaar ooit ten diepste kennen? Het gedicht werd een liedje. Trijntje zingt het tegenwoordig zelf: Ken je mij.
Die vraag: Ken je mij? wordt in de bijbel beantwoord. Er is er Eén die jou kent. Hij heeft je gemaakt, gevormd. Hij is altijd bij je. Hij gaat met je mee je leven door. Zelfs als jijzelf de weg kwijt bent. Teruggevallen in het duister van je bestaan. Zelfs als het je allemaal te veel wordt en je het niet meer ziet zitten, dan mag je weten dat je gekend bent. Je mag er zijn, je doet ertoe. God denkt met je mee en probeert met jou je leven bij elkaar te houden. Leefbaar te maken.
Het is Psalm 139: “Dieper dan ik mijzelf ooit ken, kent Gij mij.” Een troostvolle gedachte voor al die anonieme mensen die op weg zijn. Naar hun werk. Het leven door. Je bent gekend.

terug